Muziek Centrum Nederland

Ton Bruynèl

Toen Ton Bruynèl nog op het conservatorium piano studeerde, weigerde hij pertinent een trompetspelende medestudent aan de piano te begeleiden. Het schrille contrast tussen de klankkleur van beide instrumenten stond hem zo tegen, dat hij de schorsing die hem van hogerhand werd opgelegd graag voor lief nam. Deze bijzondere aandacht voor klankkleur groeide uit tot een van de belangrijkste kenmerken van Bruynèls composities.

Vanaf 1957 beschikte hij over een eigen studio, en kon hij naar hartenlust en geheel naar eigen inzicht klanken bewerken. Niet het plezier van het langs elektronische weg ontwerpen van nieuwe klanken stond daarbij centraal, maar juist de kleuring die verkregen wordt door het mengen van elektronische en akoestische klanken van vergelijkbare hoedanigheid. Bijna alle composities van Bruynèl hebben dit gegeven als hoofdonderwerp. Het materiaal voor de klanksporen wordt bij de meeste composities langs elektronische weg ontwikkeld. Dit materiaal vertoont meestal een duidelijke verwantschap met het instrument of ensemble dat met de klanksporen een dialoog en synthese zal vormen. In een compositie als Continuation voor koor en klanksporen bijvoorbeeld, lijken de elektronische klanken een vreemd soort 'schaduwkoren' te vormen.

Niettemin kwam de menselijke stem er bij het ontwikkelen van deze klanksporen niet aan te pas; er is alleen sprake van verwantschap en niet van reproductie. Bruynèl kon door alledaagse verschijnselen geïnspireerd worden. Zo vormt de natuur van Frankrijk en Spanje vaak het beginpunt van een compositie, waaromheen talrijke nieuwe geluids-ideeën kristalliseren. Soms worden deze geluiden-uit-de-werkelijheid net zo lang in de studio omgevormd tot ze passen binnen de klankwereld van het nieuwe werk. In de compositie Serène (Serenade) uit 1978 vormt de roep van een uiltje uit het Middellandse Zee-gebied de kern waaromheen de elektronische klanken en het fluitspel bewegen. Ook beeldende kunst hoort in Bruynèls visie bij het leven van alledag. De schrootsonate Chatarra voor klavecimbel en klanksporen uit 1991 refereert niet alleen aan het karkas van een uitgebrande vleugel en aan de afbraak van de Berlijnse Muur, maar brengt vooral een eresaluut aan de uit oude metalen opgetrokken machines van beeldhouwer Jean Tinguely, aan wie hij dit werk opdroeg. Doordat de verschillende technieken van zijn tijd, als serialisme, en microtonaliteit, steeds door de grondvesten van Bruynèls composities schemeren, zijn deze zowel actueel als eigenzinnig. De ironische persoonlijkheid van de componist schemert altijd door zijn werk heen. Met recht kunnen hier de woorden van John Paagiviströmn, uit de tekst voor het manifest Denk mal, das Denkmal uit 1984 van toepassing worden verklaard: "Sei ruhig, mein Kind, es sind nur elektronische Klänge. Und ich bin es."

Kees Arntzen

3 karakteristieke uitspraken van Ton Bruynèl:
  • Het zou wel heel wonderlijk zijn als ik even kwam zeggen: "Jongens, die violen hebben we niet meer nodig".
  • Elektronische muziek solo is aardig, maar je zit wel de hele avond naar je schoenveters te staren.

  • Ik protesteer tegen de omschrijving van geluid als een cerebraal proces eerder vanuit de hersenen dan vanuit het innerlijk oor. In seriële muziek gaat de appreciatie van geluid voorbij aan het menselijk oor.
Ton Bruynèl [foto: Piet Hein van de Poel]
foto: Piet Hein van de Poel
Een beknopt persoonlijk portret

Ton Bruynèl hield van:
Goede wijn, een heerlijke maaltijd en vooral de natuur.

Ton Bruynèl liet zich inspireren door:
Beeldende kunstenaars zoals Alexander Calder, Eugène Brands en door dichters als Bert Schierbeek en Remco Campert.

Bookmark and Share