Klassiek
Componist op de voorgrond
Hendrik Andriessen
Henk Badings
Johannes van Bree
Lex van Delden
Alphons Diepenbrock
Cornelis Dopper
Géza Frid
Jan Pieterszoon Sweelinck
Johannes Verhulst
Wolfgang Wijdeveld
Belle van Zuylen
Nieuwe cd met kamermuziek, Budapest-Amsterdam:
In november 2009 verscheen bij Hungaroton Classic (HCD 32660) een cd met kamermuziek van Géza Frid: Op deze cd spelen de Nederlandse violiste Birthe Blom, de uit Hongarije afkomstige pianist Martin Tchiba en de Hongaarse celliste Ditta Rohmann (cello) de Podium-suite voor viool en piano op. 3, Twaalf muzikale karikaturen voor piano op. 8, de Sonate voor cello en piano op. 9 en het Pianotrio op. 27.
Meer over dit cd-project: www.tchiba.com/html/gezafridcd.htm
Eerder verschenen Frid-cd´s: ‘Choral Works’, koormuziek door het Liszt Ferenc chorus (Hungaroton HCD 32362) en ‘Fantasia Tropica’, strijkkwartetten uitgevoerd door het Amaryllis Quartett (Coviello Classics COV 50805).
Zie verder: www.gezafrid.nl
Géza Frid
Géza Frid: “de bekende Hongaarse Nederlander” Zo werd Frid na zijn overlijden in de Nederlandse pers beschreven. Deze in een krantenkop genoemde landen zijn altijd de twee polen in Frids ‘levensreis’ geweest. In het midden van de vorige eeuw werd Frid een – wereldwijd in hoog aanzien staand – sleutelfiguur in het Nederlandse muziekleven, maar hij bleef altijd trouw aan de ‘muzikale taal’ van Hongarije.
Géza Frid (1904-1989) groeide op in Boedapest, waar hij aan de befaamde Muziekacademie tot 1924 compositie studeerde bij Zoltán Kodály en piano bij Béla Bartók. Al gauw was hij als pianist in de Europese concertzalen thuis. Jarenlang trad hij onder anderen op met de Hongaarse violist Zoltán Székely (de latere eerste violist van het Hongaarse Strijkkwartet), die destijds met zijn Hollandse vrouw in Nijmegen woonde. Mede daardoor ontwikkelde Frid zijn affiniteit met het Nederlandse muziekleven; in 1929 emigreerde hij naar Nederland. In dat jaar ontstond ook een van zijn meest uitgevoerde werken, de Suite voor orkest.
Hij trouwde in 1937 met de Nederlandse zangeres en pianiste Ella van Hall; twee jaar later werd hun enige zoon geboren. Daarvoor al had Frid zijn Hongaarse pas ingeleverd, als reactie op het toenemend antisemitisme in Hongarije. Tijdens de oorlogsjaren leefde hij als internationaal gevraagd musicus, doch tevens als ‘statenloos Jood’, voortdurend in grote spanning.
In 1948 werd Géza Frid genaturaliseerd en daarmee kreeg hij, eindelijk, de mogelijkheid zich definitief in zijn nieuwe vaderland te installeren. Het in 1947 in Amsterdam gecomponeerde Pianotrio behoort tot de eerste getuigenissen van een nieuw begin: muziek vol ontembare levensmoed, maar daarnaast doordrenkt van de diepste melancholie. In de volgende decennia werd Frid een van de meest uitgevoerde componisten in Nederland. Zelf sprak hij van ‘zijn vier beroepen’: componist, pianist, muziekredacteur bij Het Vrije Volk en docent aan het Utrechts Conservatorium. Hij bekleed vele bestuursfuncties, onder andere bij Buma en was oprichter van het Nederlands Bartók Genootschap. Tevens maakte hij diverse concerttournees door Europa, Azië, Amerika en Afrika. Samen met de zangeres Erna Spoorenberg bereisde hij de toenmalige Sovjet-Unie, als eerste Nederlandse musici na de tweede wereldoorlog. Hij werkte samen met talloze Nederlandse musici zoals Christiaan en Dick Bor, Theo Olof, Willem van Otterloo, Herman Krebbers, Luctor Ponse, Lex van Delden en Emmy Verhey.
Frids oeuvre omvat meer dan honderd composities met zeer uiteenlopende bezettingen, o.a. talrijke orkest- en koorwerken, kamermuziek (oa. vijf strijkkwartetten), muziek voor solo-instrumenten en een ‘Opera Parodistica’. Hij stond open voor buitengewone instrumentencombinaties: zo componeerde hij de balletmuziek Euridice voor orkest en jukebox, schreef hij een stuk voor piano en tape, een versie van zijn Arabesques roumaines voor bamboefluiten en verschenen er zelfs enkele werken voor harmonieorkest. Frid ontving voor zijn composities nationale en internationale onderscheidingen, zoals bijvoorbeeld de Muziekprijs van de Gemeente Amsterdam (twee keer) en – postuum – de Bartók-Pásztory-prijs van de Hongaarse staat. In zijn boek Oog in oog met… beschreef hij in 1976 zijn ontmoetingen met o.a. Tolstoj, Thomas Mann en Ravel.
Tegen het einde van de jaren zeventig werd het stiller rond Géza Frid. Na een tragisch ongeval overleed hij op 13 september 1989 in Beverwijk.
Martin Tchiba
Géza Frid
Geboren: Máramarossziget (het huidige Sighetu Marmaţiei, Roemenië), 25 januari 1904
Overleden: Beverwijk, 13 september 1989
1912-1924: studie aan de Muziekacademie Boedapest
1929: nieuwe woonplaats: Amsterdam.
In de volgende jaren: talrijke uitvoeringen van zijn composities in de VS (Carnegie Hall, New York), in Frankrijk (Salle Pleyel, Parijs), Nederland (Concertgebouw), Zwitserland en in het Verenigd Koninkrijk 1948: Nederlandse nationaliteit
1964-1970: hoofddocent voor kamermuziek aan het Utrechts Conservatorium
1974: jubileumconcert Concertgebouw ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag en geridderd
Belangrijke inspiratiebronnen voor zijn muziek:
In zijn autobiografie In 80 jaar de wereld rond (1984, Strengholt, 291 blz.) brengt Frid zelf ‘de Grote Vier’ ter sprake: Debussy, Ravel, Stravinsky en Bartók. Ook de melodieën en ritmes van de Hongaarse volksmuziek zijn een belangrijke bron van inspiratie.
Opvallend:
Tijdens de Duitse bezetting was Géza Frid actief in het kunstenaarsverzet en organiseerde hij een reeks geheime huisconcerten. Bij deze concerten trad hij op met onder anderen de Oostenrijkse violiste Alma Rosé. Frid was in deze tijd vanwege zijn joodse afkomst onder grote dreiging. Een van de weinige documenten van deze clandestiene muzikale ontmoetingen is een door Frid handgeschreven lijst die – naast een opsomming van alle 45 concerten – nog een ‘onderverdeling’ bevat: 1941, “verbod van optreden”; 1943, “reisverbod”; 1945, “levensmiddelen-concerten” en “bevrijding” (mei 1945). Op 28 mei 1945 vond in Frids huis in de Amsterdamse Vondelparkbuurt een “bevrijdingsconcert” plaats.
Bekenste werken:
- Podium-suite voor viool en piano op. 3 (1928)
- Suite voor orkest op. 6 (1929)
- 12 muzikale karikaturen voor piano op. 8 (1930)
- Concert voor piano en gemengd koor op. 14 (1934)
- Trio voor viool en piano op. 27 (1947)
- Concert voor 2 violen en orkest op. 40 (1952)
- Concert voor twee piano’s en orkest op. 55 (1957)
- Arabesques roumaines voor vrouwenkoor op. 85 (1974)
Voorgevoel in 1984:
“Ik heb het gevoel, dat er een heropleving van mijn werken zal komen, doch waarschijnlijk pas na mijn dood.” (Géza Frid in zijn autobiografie In 80 jaar de wereld rond, pag. 270.)

